Geplaatst op 16 jan, 2013 | Reacties uitgeschakeld voor Hout en zijn eigenschappen

Hout en zijn eigenschappen

Functie van hout in de plant

In de plant geeft het stevigheid aan de stam en daarnaast is het, met name in de buitenste lagen, betrokken bij het transport van water en voedingsstoffen (anorganische sapstroom) van de wortels naar de bladeren. Het hout bestaat uit het secundaire xyleem. De tegenpool van het xyleem is het floëem, dat de transportstroom in de tegenovergestelde richting verzorgt.

Structuur van hout

Hout bestaat voornamelijk uit de celwandbestanddelen cellulose en hemicellulose in de langse richting. Deze worden samengehouden door een natuurlijke lijm,lignine genaamd, die in de dwarse richting van het stuk hout ligt. Vanwege deze structuur wordt hout anisotropisch genoemd; de eigenschappen zijn niet in alle richtingen gelijk.

Omdat in gematigde klimaten de winter en de zomer verschillende groeiomstandigheden veroorzaken, hebben veel houtsoorten uit deze klimaten duidelijke groeiringen (ook wel jaarringen). Ook tropische houtsoorten hebben soms duidelijke groeiringen met name wanneer zij stammen uit gebieden met verschillende vochtigheidsseizoenen.

De eigenschappen voor wat betreft draadrichting, taaiheid, splijtbaarheid en sterkte verschillen van soort tot soort, en vaak van boom tot boom. De merg- of houtstralen (ook wel spiegels geheten) dienen voor het transport van voedingsmiddelen; deze komen alleen bij loofhoutsoorten voor.

Vorming van groeiringen

Deze groeiringen komen als volgt tot stand: onder de schors bevindt zich een laag delingsweefsel, een secundair meristeem, de cambiumlaag genoemd, die zowel naar binnen als naar buiten nieuwe cellen aanmaakt. Naar binnen toe differentiëren deze cellen zich tot hout (xyleem). Als het klimaat niet gelijkmatig is komt deze groei tot stilstand in het ongunstige seizoen. Deze stilstand komt niet plots maar met een geleidelijke overgang zodat het houtweefsel er anders uit gaat zien. Als aan het begin van het nieuwe seizoen nieuw hout gevormd wordt contrasteert dat met het laatstgevormde hout van het vorige seizoen. Groeiringen kunnen variëren van heel erg duidelijk (eiken, iepen, kastanje) tot heel vaag (paardenkastanje).

Bast

Het geheel van schors en aangroeilaag wordt meestal als “bast” omschreven. Rondom het binnenste, reeds afgestorven hout bevindt zich een levende laag. De schors barst bij de groei van de boom, daar hij niet elastisch is. De meest bekende schors wordt gevormd door de in Portugal groeiende kurkeik (Quercus suber uit de familie van de Fagaceae of beukachtigen), die om de 10 jaar een oogstbare laag afgeeft. Een gladde bast heeft de beuk, omdat bij deze soort er ook in de lengterichting zich delende cellen bevinden. Door de bast kunnen diverse boomsoorten van elkaar onderscheiden worden omdat de bast in de zomer- en winterstand bij de meeste soorten niet veel van elkaar verschilt.

Eigenschappen van hout

Hieronder worden verschillende eigenschappen verstaan die een rol gaan spelen indien men hout wil gaan bewerken en toepassen. Op basis van kennis van de eigenschappen kunnen houtsoorten onderling vergeleken worden. Vier belangrijke hoofdeigenschappen van hout zijn duurzaamheid (bijvoorbeeld tegen weersinvloeden en schimmels), de natuurkundige eigenschappen (zoals krimp en volumieke massa), de mechanische eigenschappen (zoals mechanische sterktes en hardheid), en het gedrag bij brand. Ook tal van andere eigenschappen verschillen per houtsoort zoals: calorische waarde, isolatie waarde, pH-waarde, etc.